De ritmische en kunstzinnige bewegingsopvoeding van Jaques Dalcroze ligt duidelijk aan de basis van  het werk en de inspiratie van Gerda Alexander. Tijdens deze periode krijgt Gerda twee doorslaggevende inzichten die haar verdere pedagogische zoektocht bepalen. Haar geboortestad Wuppertal is in die tijd (en tot op heden met ondermeer Pina Bausch) een levendig centrum voor moderne dansrichtingen. Vanuit de Otto-Blensdorf school participeert Gerda aan verschillende danscongressen en woont heel wat dansopvoeringen bij. Zij kan ondermeer leerlingen van Mary Wigman, Rudolf Laban en Bess Mensendieck aan het werk zien en ontmoeten. Zij weet dat de meesten van deze dansscholen zich tot doel stellen de persoon meer vrijheid te laten ervaren doorheen de expressieve mogelijkheden van de beweging.  Toch valt het Gerda op dat deze leerlingen op  stereotype manier bewegen, waarin telkens het eigen karakter van elke school terug te vinden is. Zij neemt van daaruit het besluit om een weg te zoeken naar een meer authentieke, persoonlijk doorleefde beweging in plaats van deze tendens tot nabootsing. Het wordt haar streven om de persoon in zijn ‘uniek zijn’ meer natuurlijke uitdrukkingskansen te geven door ondermeer het bewegingsverloop niet vooraf te bepalen. Zij zet haar leerlingen aan om uitvoerig hun bewegingsmogelijkheden te verkennen vanuit eigen impulsen en intenties.
Daarnaast heeft Gerda reeds van kindsbeen af te kampen met een broze gezondheid.  Op 17 jarige leeftijd heeft zij af te rekenen met zware gewrichtsreuma en hartproblemen. Zij wordt gediagnosticeerd tot toekomstige rolstoelpatiënt. Zij zal  het dansen moeten loslaten. Het komt er nu op aan dat zij met deze  gewrichtspijnen en hartzwakte leert omgaan en toch een vorm van levenskwaliteit weet te vinden. Zij is op creatieve wijze, dag in dag uit, op zoek naar persoonlijk comfort en herstel. Op verkenning naar de minst belastende houding en de meest aangepaste beweging ontdekt zij de sensatie van moeiteloosheid. Deze noodzakelijke zelfzorg doet haar inzien hoe waardevol het is om op autonome wijze met eigen beperkingen om te gaan. Gerda beseft dat deze vorm van zelfredzaamheid en zelfverantwoordelijkheid een bewustwordingsproces impliceert. Zij realiseert zich dat dit appel doet op een innerlijk vermogen dat voor de meeste mensen ongekend is.  Zij neemt zich dan ook voor om vanaf nu meer op dit innerlijk potentieel beroep te doen.
Deze twee nieuwe krachtlijnen doorweven voortaan haar pedagogische zoektocht: het appelleren op de eigenheid van de persoon en op de verantwoordelijkheid tot zelfzorg.

{ 0 comments }

Wie is Dalcroze?

De Zwitser Emile Jaques Dalcroze (° 1865-1950 + ) wordt geboren te Wenen in een tijd van industriële revolutie en sociale bewustwording. Hij is leerling van Brückner, muziekleraar, componist en orkestleider aan het muziekconservatorium van Genève. Als leraar harmonie en notenleer neemt hij geen vrede met de getheoretiseerde wijze waarop aan muziekonderricht wordt gedaan. Hij kan zich evenmin vinden in het feit dat het muziekonderwijs zich enkel tot de gegoede klasse van de bevolking richt. Daarnaast  valt het hem op hoe weinig zijn studenten het ritme en de beweging van de muziek invoelen tijdens hun muzikale uitvoering. Voor hem gaan muzikale expressie, beleving van de beweging en persoonlijke betrokkenheid samen. Hij onderzoekt welke uitwerking muziek heeft op de mens. Van daaruit ontwikkelt hij reeds voor de eerste wereldoorlog  een nieuwe opvoedingsmethode. Maar de maatschappelijke context laat nog geen echte vernieuwing toe binnen de muziekscholen. In de theaterwereld vindt hij wel een ruimere weerklank en kan naar buiten treden. Hij richt meerdere Festivals in, een soort massaspel, waarvan zijn eerste in Vaudois in 1903. Tenslotte wordt hem een eigen instituut aangeboden in Hellerau bij Dresden. Samen met  een aanzienlijke groep muzikanten, befaamde kunstenaars, schrijvers en architecten wordt een groots ‘Festspielhaus’ opgezet dat al snel uitstraling kent in Europa en de Verenigde staten. In 1914 breekt dit veelbelovend project af.  Jaques Dalcroze keert terug naar Genève waar hij in 1915 zijn eigen Instituut sticht dat nog steeds bestaat. Daar ontwikkelt hij verder zijn pedagogische activiteiten. Pas na de tweede wereldoorlog hebben de vele demonstraties, die hij met zijn leerlingen geeft, tot gevolg dat  ritmiekscholen in verschillende landen worden opgericht. De ideeën en de methode van Jaques Dalcroze hebben sterk de lichamelijke opvoeding, de dans en de psychomotorische ontwikkeling beïnvloed.

Basisideeën

Emile Jaques Dalcroze stelt reeds op jeugdige leeftijd veel van zijn muzikale gaven in dienst  van de opvoeding. Hij opteert duidelijk voor een integrale ontplooiing van de persoonlijkheid via de muziek. Hij ziet de school als voorbereiding op het leven. Een school heeft tenslotte mensen te vormen, geen specialisten en nog minder individualisten. Intelligentie, lichaam, wil en gevoeligheid dienen gelijktijdig aangesproken te worden. Een goede opvoeder begeleidt  zijn leerlingen in het zoeken naar hun tekortkomingen. Kritisch staan tegenover de eigen vertolking maakt hier deel van uit, zonder afbreuk te doen aan de natuurlijke en spontane manier van zich te uiten. Na tientallen jaren zoeken naar nieuwe bewegingsvormen in het muziekonderricht leert  Jaques Dalcroze, tijdens een verblijf in Algerije, de Arabische muziek kennen. Met de grootste belangstelling ontdekt hij het ritme van de Arabische dansen. Dit zal zijn ritmische oefeningen en vooral zijn polyritmiek sterk beïnvloeden.

In de ‘ritmiek’ ttz. het beleven van de muziek via de beweging, staat persoonlijk ervaren centraal. Dalcroze  beoogt het muzikale gevoel in heel het organisme te ontwikkelen en dit door zijn leerlingen de muzikale nuances lijfelijk te doen beleven. Hij zoekt het  aanpassingsvermogen van het lichaam te verhogen tot gewillig instrument van de muziek. Dit veronderstelt voldoende lichaamsbeheersing door het principe van de minste moeite. In dat kader last hij ontspanningsoefeningen in. Doorheen het aanspreken van motorische functies wil hij een gevoel van orde en evenwicht scheppen en de geest tot rust brengen. Ritmisch bewegen stelt dus de capaciteit voorop om spontaan, soepel en vrij te bewegen, maar vraagt evengoed de beheersing om vaste bewegingspatronen nauwkeurig te kunnen herhalen. Het ritmiekonderricht  heeft volgens Dalcroze  de volgende tegenstelling bloot te leggen:  aan de ene kant het individueel, natuurlijk aangeboren levensritme en aan de andere kant het ritme van buitenaf: dagelijkse bezigheden, directe omgeving, sociaal netwerk, en de algemeen heersende trend. Hoe kan de begeleider de leerlingen hierin helpen kiezen? Hoe worden opgeroepen weerstanden herkend, en evenwicht gevonden tussen bejegenen en afwijzen van invloeden? Voor Jaques  Dalcroze is de algemene kunstzinnige vorming de basis van elke kunsttak. Het komt erop aan concentratie, creativiteit en verbeelding te stimuleren, en de oorspronkelijkheid te beschermen. Dat laatste is, voor hem, het meest waardevolle op artistiek gebied. Daarom heeft Dalcroze de improvisatie, zowel in de beweging als in de muziek, tot steunpilaar van zijn methode gemaakt. Leerlingen van hem zijn onder meer: Elfriede Feudel – Dore jacobs – Otto Blensdorf – Mary Wigman -  Rosalia Gladek  – …

{ 0 comments }

Nieuwjaarswens

december 25, 2011
Read the full article →

Het ontstaan van de eutonie doorheen het leven van Gerda Alexander

oktober 10, 2011

De kijk op het menselijk lichaam staat doorheen de tijd niet stil. In het begin van de twintigste eeuw vindt een vernieuwende beweging plaats in diverse takken van de (mens)wetenschappen. Dit terwijl het analytisch- fragmentarisch denken het Westen meer dan ooit overheerst. De fenomenologische beschouwing wint aan interesse en de  benadering van de mens als [...]

Read the full article →