Het blijft een hoofdthema voor Gerda van een pedagogie uit te werken die leidt tot een meer bewuste lichaamsbeleving. Zij stelt doorheen de jaren vast dat het wekken van de huid daartoe bijdraagt, en wel op een bijzonder wijze, en dat hierin de aanraking een cruciale en unieke rol speelt. Gerda beschrijft dat zij bij het aanraken van iemand kan voelen of deze persoon al dan niet bewust is van zijn huid. Haar betrachting is een kwaliteit van aanraking te vinden die de persoon via de tastzin tot een meer aandachtige participatie stimuleert. Zij neemt hierbij temperatuursverandering en versoepeling van de onderliggende weefsels waar en wijt dit onder meer aan een verbeterde bloedsomloop. Bovendien observeert Gerda een opmerkelijk effect op de ademhaling, die langzamer wordt en verdiept. Langs zijn kant ontwikkelt de persoon een receptieve houding, wordt zich meer bewust van zijn lichaam en krijgt een groter besef van eigen vorm en eigen grens. Zo ontstaat tussen Gerda en de persoon een wisselwerking die een hoge kwaliteit van afstemming vooropstelt.
Een ander aspect dat Gerda ontwikkelt via de aanraking is wat zij noemt de passieve beweging. Dit is behoedzaam en invoelend een arm, schouder of voet heel langzaam in beweging brengen. Hierbij wordt deze persoon uitgenodigd om te ontdekken hoe het voelt om bewogen te worden. Door zelf niet in te grijpen ontstaat er een nieuwe vrijheid en beweeglijkheid in de gewrichten en ervaart de persoon een verrassend inwendig ruimtebesef en rustgevoel. Gerda stelt bij haar eigen leerlingen vast dat deze nieuwe gewaarwordingen leiden tot een betere zelfwaarneming, die hen toelaat zichzelf minder voorbij te lopen, en meer aanwezig te zijn.
De cursussen van Gerda worden regelmatig door psychologen en psychiaters bezocht. Dit geeft haar de kans om haar talloze bevindingen met hen uit te wisselen. Al was het nooit haar oorspronkelijke bedoeling om therapeutisch te werken, toch wordt zij aan het departement psychologie van de universiteit van Kopenhagen, op het oriëntatie- en behandelingscentrum voor kinderen, gevraagd om haar observaties rond patiëntjes mee te delen. Hier maakt haar zienswijze indruk. Ook haar werk met stotteraars aan het staatsinstituut voor stem- en spraakeducatie wordt als vernieuwend beschouwd. Zo zal, in de periode tussen 1946 en 1951, Professor Preben Plum, toenmalig hoofd van de pediatrie van het Rijkshospitaal van Kopenhagen, Gerda en haar leerlingen uitnodigen om de kinderen te begeleiden bij hun revalidatie. Het gaat voornamelijk om spastische en astmatische patiëntjes.
Steeds opnieuw is het Gerda’ s intentie om de persoon in zijn totaliteit aan te spreken, het herstelvermogen op gang te brengen en de persoon zoveel mogelijk hierbij te betrekken. In plaats van zich rond een pijnzone te verkrampen of ervan weg te kruipen, wordt de persoon tot een aandachtig invoelen van de gekwetste of moeilijke zone uitgenodigd. Door het toedoen van een omhullende hand of een zachte druk of zorgzame uitrekking, kunnen blokkades lossen en kan bereidheid en rust ontstaan om de eigen situatie in te leven.
Het therapeutisch potentieel van Gerda’ s werk openbaart zich steeds duidelijker. Dokters worden nieuwsgierig naar de impact die haar benadering zou kunnen hebben op hun patiënten. Gerda mag Denemarken vertegenwoordigen op het eerste internationaal congres voor Orthopedie in Wenen. Enige tijd later wordt zij in 1951 door Professor Helmut Denk uitgenodigd aan het universitair ziekenhuis in Wenen om haar manier van werken met patiënten voor te stellen. In dezelfde periode wordt Gerda gevraagd om over haar ervaring te vertellen op de afdeling psychiatrie van Professor Hans Hoff. Dit gebeurt onder de aanbeveling van de Rockefeller Foundation.
Een steeds breder spectrum van toepassingsgebieden laat Gerda toe haar werkwijze verder te verfijnen. Zij ziet in de waaier van disfuncties of stoornissen dat velen te wijten zijn aan een verminderde lichaamsperceptie en aan verwaarloosde aandacht voor bepaalde lichaamsdelen. Zij constateert dat een mechanisch uitgevoerde beweging, toegepast bij een aantal revalidatietechnieken, hiervoor te weinig oplossing biedt. En zij weet uit ondervinding dat de onbewuste voorstelling van skelet en gewrichten een effect heeft op het dagelijks gebruik ervan. Zo kan een vertekende voorstelling een lichaamsbelasting veroorzaken met vroegtijdige slijtage en nadelige motorische gevolgen, die dikwijls vitale functies verstoren. De bewustwording en een juistere beeldvorming van deze lichaamsgebieden werken daarentegen structurerend en resulteren in een harmonischer functioneren. Voortaan ligt de zelfzorg meer in handen van de patiënt: een economischer lichaamsgebruik, het zoeken naar eigen comfort en het anticiperen op de uit te voeren dagelijks bewegingen verhogen zijn autonomie en verantwoordelijkheidszin. Privé behandelt Gerda de volgende jaren mensen getroffen door kinderverlamming, para- en hemiplegie, personen met neuralgieën, met een hernia, amputaties, psychosomatische klachten en houdingsproblemen. De voldoening en tevredenheid van deze mensen bevestigen telkens opnieuw de doeltreffendheid van haar benadering.
De wezenlijk opzet van Gerda blijft: de getroffen persoon ertoe te brengen aandachtig zijn lichaam waar te nemen en door deze afstemming optimaal aan zijn eigen herstel te laten participeren. Dit vergt een specifieke wijze van begeleiden, die nieuwe eisen stelt aan haar leerlingen, met op de eerste plaats een integere ingesteldheid. Deze attitudevorming maakt voortaan deel uit van de opleiding die Gerda in haar school verzorgt.
Bronnen:
- Entretiens sur l‘eutonie avec Gerda Alexander Violeta Hemsy de Gainza, Dervy, Paris 1997
- Le corps retrouvé par l’eutonie Gerda Alexander Editions Le bout du monde 2011
- Pédagogie et Thérapie Eutonie Gerda Alexander Gunna Brieghel Müller & A-M Winkler Delachaux et Niestlé 1994
{ 0 comments }
